Eerste eikenprocessierupsen recordvroeg uit het ei
Op 23 maart kwamen de eerste eikenprocessierupsen uit het ei in Hengelo. Zie ook het Natuurbericht op Nature Today van 26 maart 2026.
De haren van de kleine rupsen veroorzaken geen overlast. De brandharen verschijnen pas in het vierde larvestadium. Op basis van de huidige weersverwachting verwachten we dat de eerste rupsen rond half mei in dit stadium komen. Dat is ook het moment dat ze nesten gaan maken.
Ons model kwam voor de eerste rupsen uit het ei uit op 19 maart, 17 dagen eerder dan het gemiddelde over de afgelopen 16 jaar.
De totale voorsprong van 17 dagen t.o.v. het gemiddelde (5 april) is een optelsom van twee factoren:
- Warme Winter & Voorjaar (15 dagen): Door de recordwarme start van 2026 is de fysiologische ‘motor’ van de eitjes al veel eerder aangegaan. De warmtesom liep in februari al gestaag op.
- Zon-effect / Microklimaat (2 dagen): In de laatste week heeft felle zon de eipakketjes op de boomstammen rechtstreeks opgewarmd.
De afwijking tussen de uitkomst van ons model (19 maart) en de veldwaarneming (23 maart) valt te verklaren door:
- Waarnemingsvertraging (de factor mens)
Ons model rekent exact uit wanneer de biologische drempel wordt overschreden. In het veld moeten de rupsen echter:
- Fysiek uit het eitje kruipen.
- Zich verzamelen op de stam.
- Gezien worden door een waarnemer.
Vaak zit er tussen het daadwerkelijke ‘uitkomen’ en de eerste registratie een vertraging van 2 tot 5 dagen, simpelweg omdat waarnemers niet 24/7 bij elke boom aanwezig zijn.
- Lokale variatie (Microklimaat vs. KNMI)
Ons model rekent met data van het dichtstbijzijnde KNMI-station (referentiemeting op 1.50m hoogte).
- Modelberekening: Gaat uit van een boom op een zonnige, open plek.
- De werkelijkheid: Bomen in de schaduw van gebouwen of aan de noordkant van een bosrand missen de directe zoninstraling. Deze locaties kunnen lokaal enkele dagen achterlopen op de theoretische ‘Microklimaat Versnelling’.
- Genetische spreiding: Niet elk eipakketje is identiek. Binnen een populatie zit altijd een natuurlijke spreiding (vroege en late ‘uitkomers’) om de overlevingskans van de soort te vergroten bij grillig voorjaarsweer.

